A-fnQLMheuvel op heuvel af: den eersten en eeniuitgelaten
man. Hij sloeg geen wartaal
iPi 1 WÈt uit, hij had geen doffen blik in zijn oogen, hij
had geen slingerenden gang, kan dus, daar de voornaamste
politioneele kenmerken van dronkenschap
ontbraken, niet dronken geweest zijn. Hij had alleen
een tentoonstellingsroes. .Mogelijk was het licht en
het gewirwar van al die menschen hem in het hoofd
geslagen. Hij droeg een dikken bamboe-paal op schouder,
onhandig vastgehouden, zooals een beer een
stok draagt en danste nu en dan om dien paal een
pas de I'ours met goed-nagebootste logge berenbewegingen.
Hij zat niet aan een ketting, hij deed ditniet
op bevel en ook niet om den broode, want hij vroeg
er geen geld voor. Hij deed dit uit eigen logge beweging,
voor eigen beerachtig genoegen. Wellicht handelde
hij dus, omdat een geheimzinnige stem hem
had ingefluisterd, dat hij hier vroolijkheids-apostel
had te wezen, hij alleen, onder al die menschen. Hij
gebaarde tot de menschen, als of hij wilde zeggen:
toe kom nu eens los zoo als ik; hij deed het lachend,
vriendelijk uitnoodigend, somsook nadrukkelijk-ernstig
en dan was het, dat hij den indruk maakte alsof hij
vaneen roeping vervuld was, alsof hij hier een zending
onder het publiek te vervullen had.
De menschen keken hem aan, liepen met een boogje
om hem heen, moesten niets van hem hebben, zetten
gezichten, alsof zij wilden te kennen geven, dat hij
zich aanstelde, wel liet verschrikkelijkste wat men in
de oogen van Nederlanders doen kan. Het was "nog
vroeg in den naavond. Men bleef in de plooi, men wist
hoe het te Semarang hoort. Men besefte niet hetverdien
stelijke van dezen cenen uitbundigen pretmaker. Men
wilde het zich zelf echter niet zeggen, dat zijn voorbeeld
aanstekelijk werkte. O, niet dadelijk,
maar later, als men onder zn kornuiten
zou zijn, in ander gezelschap dan nu, niet
zoo met vrouw en kroost en loges.
Waarom heeft deze zendeling-in-vroolijkheid
van het expositie-bestuur geen geschenk
gekregen, waarom werd zijn werk
niet officieel gewaardeerd? Als door stom geluk
iemand de 100.000ste bezoeker van een tentoonstelling
is, dan krijgt die bezoeker stellig vrij entree
en een horloge met inscriptie. En deze een
ling, de eerste uitgelaten mensen op de tentoonstelling
die van zijn pret voor 75 cent nog wat aan anderen
trachtte over te doen, die hier een goed werk wel
bewust verrichtte, werd niet eens officieel opgemerkt.
Hij danste als een beer, wat tegenwoordig immers
hoogst modern is, voor de menschen; hij brulde als
een beer, voor hen. Wat kon hij meer doen ter opwekking?
Hij verdiende een onderscheiding. Door
het bestuur is hij miskend. Maar wij hebben zijn
propagandistisch werk hier herdacht, en dat zalhem
toch wel meer waard wezen, dan zoon presentje
van het bestuur.
( >renstein-Koppel-expres was het speelgoed
■ het tentooiïstollings-publiek. Men speelde Kl^Sw''1'mee>a's de kinderen met een spoortrein- fifir tje, dat hi'iiseh rijdt, en als er een wagentje
haperde of een locomotiefje niet wilde loopen, dan zou
men het wel even in den winkel willen gaan ruilen.
Moest de reis wel eens woorden onderbroken, omdat er
iets niet in orde was, dan stapte nagenoeg het heelepubliek tut om mee te kijken wat eraan t handje was, en was de zaak weer in orde, dan werd er
weer ingestapt en leutigjes verder gereden mei
groote-menschen gezichten als kinderen, die
plezier hebben en van pa geld kregen om óók
eens te plezierrijden.
Alles was net echt bij het treintje. Er waren
echte conducteurs, een echtemachinist stond op her locomotiefje,
er waren haltenen er'ging al maar door een
bel. Wie er in ging zitten, deed het met een min of
meer verontschuldigend gezicht, waarvan het besef ■ te lezen staat, dat men, soedah, óók er eens kinderachtig
wilde doen.
Onderweg ging het heel plezierig toe. Het locomotiefje
briescht en kucht volwassen en de conducteur
loopt bij voorkeur naast den trein. Van uit den
trein worden er vele kennissen gezien en dan wuift
men elkaar uitgelaten toe met zakdoeken en vlaggetjes.
Men speelt afscheidje.
Wie onderweg iemand te spreken had, hij liet
zich door de expres niet weerhouden. Er sprong dan
ook eens 'n reiziger uit den volle vaart, had
eene ernstige conferentie met een rondwTandelcnden
collega en haalde den trein met een rustig looppasje
weer in. Hij werd met open armen ontvangen en binnengeloodst
en de machinist had er groote pret in,
de stoker ook. Bij elke halte is er groot vertoon van
weerzien; men schudt elkaar de hand en heel de
tentoonstelling haalt u van den trein. En dan gaan
we weer verder en er komt dan een controleur, die,
prachtig in zijn rol, langs de treeplank loopt van
paal tot paal en om de kaartjes vraagt. Van tijd tot
tijd schiet hij in den lach.
De expres was op zn echtst, wanneer liet berg-op
ging. Dan kuchte het treintje ernstig in de zwoeging
naar den top. Spil, o reiziger, eenige fantasie! Dan
gaal ge de Jungfrau op, of Rigikulm en trekt den
verrekijker en gaat vreemde talen spreken. Bij het
paviljoen van Semarang-Kedoe waart ge dan op de
laatste plek, welke u aan de bewoonde wereld herinnerde
en ge dompelde u in zeer geslaagde vergezichten
en dankte den machinist voor zijne welwillendheid.
Voorbeeld. Een 30-jarige sluit een verzekering volgens Tabel 23 (1), groot ƒ 5000,— met een duur van 30 jaren op zijn eigen leven. De maandelijksche
premie bedraagt dan ƒ 15,50. Zoo hij binnen die 30 jaren komt te overlijden, keert de Bank terstond J 5000,— uit, waardoor de verzekering is
slaafd en noS DliJft het eene kunst, welke
niet een ieder gegeven is, om
behoorlijk dogcar te rijden. Een van de
ernstigste fouten in deze toch in ellendigruime mate
beoefende sport is, dat men, in een dogcar gezeten,
zijn prestige niet wil prijs geven. Ik zou dit advies
willen geven: wie hier binnentreedt, hij late
elke waardigheid varen. Spiegel u aan den dogcarkoetsier.
Ik heb er gezien, die in een dogcar een
automobiel-gezicht willen handhaven. Doe dat niet,
wijl zulks onbegonnen werk is. Gezien heb ik er, die
van uit hun dogcar statig wilden groeten. Zeer onjuist
ingezien. Groet joviaal; een tikje aan den lioedrand
met dadelijk daarop een armwuifje. Dan lacht
men u niet uit. Tracht liever ook niei netjes te zitten,
want eerstens is de dogcar hiertoe te bewegelijk en
de kans op het deraillement van uwc deftigheid van
een uitersten ernst. Of is het u niet eens geschied,
dat ge, „los" dogcar-rijdend met uw strooien hoed
tegen een der ijzeren spijlen zijt komen te schommelen?
Dan gaat die hoed scheef, en dat is een moord op
uw prestige. Maar ook zonder deze daad-werkelijke
ellende, zit maar liever gewoon, want het andere lukt
toch niet. Zelfs uw dogcarpaard zou glimlachen.
Men doet het veiligst, zich met aaneengesloten
geëindigd. Is hij na verloop van die 30 jaren nog in leven, dan ontvangt hij vanaf dat oogenblik levenslang, voor, het eerst terstond als de 30 jaren verstreken
zijn, elke 3 maanden een bedrag van ƒ 125,—. Sterft hij 1 jaar na den aanvang der rentetrekking, dan keert de Bank bovendien nog uitƒ4500,—,gebeurt dit
na 5 jaren dan / 2500,—, na 9 jaren f 500,— en na 10 jaren of later niets.
kniëen zooveel mogehjk schuin rug aan rug tegen
den koetsier aan te vleien — dieman verdraagt vóél—
en zich bij wijze van spreken rondborstig aan een
der spijlen bovenaan vast te klemmen. O, ik weet,
het is een vernederend doen, maar een zeer noodzakelijk
doen, tevens. Men kan de wereld zonder
bedruktheid in het gelaat zien en geniet een betrekkelijke
veiligheid. Later in de auto komt alles weer in
orde. Dan zit ge maar fier en breed en zet een deftig
gezicht en groet met keurige welwillendheid.
Voor de rickshaws weet ik nog geen betrouwbaar
advies. Ik heb er eens in een te Colombo gereden, op
reis naar Indië, en weet alleen nog, dat ik het eerst
voor den rickshaw-kerel diep vernederend vond, maar
tien minuten later den drang had, den zweep er over
te leggen. Het is fnuikend voor de ethiek.
Op de tentoonstelling stonden rickshaw'sin lange rijen,
maar het publiek van ons Indië vindthet nog zeer „eng"
en ik zag deranke wagentjes als wiegen zien ze ervan
binnen uit—nog maar alleen bij wijze van pretje
gebruiken. Zoo iets als ezeltje-rijden langs het Scheveningsche
strand. Heele gezinnen lieten zich voort
sjouwen en dan al maar lachen, want ook de rickshaw
schijnt een bepaalden „zit" te vergen. Geen sterveling
heeft dien nog te pakken. Vandaar, dat men r maar lachte.lk zag een tentoonstellings-familie,
welke met zn zevenen aan hetrickshaw'n ging. KïïA De start was uiterst ongelijk; elke rickshaw «Il
dwrarreldc op een andere wijze in de schuinte, mj
En ieder schaterde van uit zijn rickshaw naar
den ander en uien schoot maar niet op, want de '
trekkende inlanders hebben den slag ook nog niette
pakken en lachten maar mee en wie het zag had er
óók pret in. Alleen één der dames had angsten voor
haar evenwicht. Bij elke hobbeling spreidde zij de
armen om hulp en evenwicht en zij riep al maar
O, Jezus! want een_ rickshaw ontbeert, elk wezenlijk
houvast. Hoe harder zij armènspreidend om hulp riep,
hoe harder hare reisgenooten ieder in hun rickshaw
schaterden, want ook zij gingen zeerschuin en hobbelig.
En men kwam maar niet vooruitende wanhoopsdame
schreeuwde maar dat zij er uit wilde, maar niemand
wilde redding geven en haar breede hoed helde naar
één oor, terwijl zij kostelijk transpireerde.
YMU an dien uitkijktoren op den heuvel werd
veel te weinig gebruik gemaakt door tentoonstellingstouristen.
Wietentoonstellingstouristen waren? Heeft u ze dan
niet zien loopen met hun expositie-Baedekers?
Heeft u hen niet te zamen zien gaan in kudden ver
Waren
dat nog gewone bezoekers van een tentoonstelling?
Het was een reis om op het terrein te komen,
het was een reis het terrein zelfrond te komen. Men
was er in een gelieel nieuw land, met onbekende routes
en verkeersmiddelen, onbekende bewoners, met onbekende
gewoonten, met verrassend veel bezienswaardigheden.
Het duurde een paar dagen
eer het meest bezienswaardige in dat land
was bekeken. I.issoneon Cook organiseerden
er sight-seeing trips heen. Wie eraan deelnam,
of wel alleen ier expositie ging mocht zich zelf
een tourist noemen.
Of het kwam, omdat de uitkijktoren op den Heuvel
in de officieele Baedeker niet met een sterretje staat
aangegeven, of omdat de attractie aan zijn voet te
groot was, de uitkijk werd maar zelden door de touristen
beklommen.
Dat heeft de beheerder van het restaurant, waarboven
de toren uit rees, op het idéé gebracht om
evenals op den Rigi, wat reclame te maken voor al
het schoons, dat van den toren af te genieten was
en hoofdzakelijk voor de zons-op- en- ondergangen.
In verband met de openings- en sluitingsuren van
tentoonstellingsland waren de tijden van den zonsopgang
o]) + 11 uur v. in. gesteld, van den zonsondergang
op Z- 10 uur n. m. Met de zon laat zich
tegenwoordig alles doen. Er is immers zelfs een vereeniging,
welke hem een uur vroeger wil laten verschijnen.
Dus dat was niet moeilijk. Bovendien heeft
bedoelde beheerder de hand weten te leggen op een
goed-werkende, zes dagen aan een stuk op vier
edelsteenen loopende precisie remontoir-zon, voorzien
van duidelijke aanwijzingen omtrent richting en tijd,
dag en maand, en consumptie-tarief. Zoodat met deze
zon niet kan voorkomen, wat er gebeurde met die
van Rigi Kulm, toen Mark Twain daar logeerde, en
een half uur lang 's avonds om zeven uur naar
't opgaan van de zon stond te kijken, klappertandend
in een deken, gewikkeld om zijn halfnaaktheid, en
duidelijk constateerde, dat de zon daalde in plaats
van opging, en pas aan 't gelach van een in evening
dress gekleed gezelschap merkte, dat hij V2uur te
laat was. Alle klachten over de zon kon men bovendien
dadelijk bij den beheerder aanhangig maken.
Deze had zelf te voel belang bij een goede
regeling van dit onnavolgbaar natuurtafereel om niet
al zijn attentie aan mogelijke klachten te wijden. Hijpikte de zaak als volgt in: Onder aan den Heuvel
waren goede, drankvrije gidsen beschikbaar, voorzien
van touwen en toilet-spiegels voor de dames. Daar
werden ook alpen-stokken, cognac en skis aan de
touristen verstrekt. Men vertrok bij voorkeur
's morgens vroeg. Na den heelen dag en vooravond
doorgeboemeld te hebben, kwam men dan desavonds
doodmoe in de touristen-hut aan. Na een stevig maal
begaf men er zich te ruste. Heel vroeg in den
morgen werd men met koehoorn-getoeter gewekt.
Het wras bon ton om dan na den eersten Shanghaicocktail
in ietwat haveloos costuum, als was men
door een brand in zijn slaap verrast, den uitkijktoren
op te vliegen. De muziek van the ladies quintet
(of London, you know!) speelde er werd gin-sling
geserveerd en zoo tegen het rondreiken van de derde
gin-sling verscheen de zon (er was nog eenigereclame-
ruimte op te huur). Het was dan zoowat 11 uur.
Men was in the hottest spot of the show — for sure!
En wat het mooiste was —hier wras niets dan high life.
Was men eenmaal boven, dan bevond men zich stellig
bij de upper-hundred, en op den uitkijk bij de upperupper-
ten. Hier bij de upper-hundrcd was 't de
gewoonte om den dag verder met gepaste
bergsporten, als bitteren, handboogschieten
(o, Wilhelm Teil!) flirten en kegelen door te
brengen tot het uur van het diner. Na tafel
aanzag men in zeer „gehobener Stimmung"
dan nog den zonsondergang, beroemd om het
schitterend kleurenspel, dat aan een „prairie-oyster"
denken deed. Den volgenden morgen aanvaardde men
den terugtocht en kwam behouden aan lager wal op
het vlakke expositie-terrein terug. Voor de expositie-
touristen was 't aanbevelenswaardig, des Zaterdags
op te stijgen, men was dan des Maandags weer beneden.
Men verzocht mij nog er op te willen wijzen,
dat de beheerder, voorzwegen, niet dan na groote
geldelijke opofferingen er in was geslaagd het uitsluitend
recht tot het exploiteeren van zons-op- en
ondergangen van het tentoonstellingsbestutir te pachten.
Het was 't laatste nog niet verpachte recht.
Jevea.
lemand, 30 jaar oud, verzekert zich volgens tabel If 20 en betaalt nu voor ƒ 10.000.-verzekerd kapitaal ƒ 31,20 'smaands slechts, gedurende jaren of tot eerder overlijden. Voor elke betaalde 12 maandelijksche premiën verzekert hij zich een 20ste gedeelte van het kapitaal, dat is / 500,- waar- van hij een afzonderlek bewijs ontvangt. Ook al eindigt hij na e» 3-jarig bestaan der verzekering willekeurig zijne premiebetaling, dan behouden deze bewijzen toch huune volle kracht van bestaan. Staakt hij de betaling, b.v. na 5 jaren te hebben betaald, dan blijft hij verzekerd voor 5 x ƒ 500,
/ 2500,—. Staakt hij de premiebetaling niet, dan wordt bij overlijden binnen de 20 jaren de volle ƒ 10.00*I,— uitsrekeeul.
Deze bewijzen (cheques) vergemakkelijken in handelszaken zeer het verkrijgen van creJieten. Vraag nadere premieopgaven.
e Zatei-dag en de .Zondag zijn altijd goede ar)!^» li:lS'en geweest voor de tentoonstelling. fwWMYx was dan ook veel bezoek van andere @ plaatsen en we vonden behalve deVorstenlanden,
vanwaarverscheiden personen kwamen, die met
entréekaarten plachten te komen, welke bij de retourkaartjes
verkregen werden, Magelang enPoerworedjo en
nog verder gelegen plaatsen vertegenwoordigd, terwijl
vaak de een of andere fuif heel wat planters uit
de bergen naar hier haalde. Het kon niet anders of
men zag voor den ingang en de vele loketten
vele en velerlei gezichten van kijklustigen: op bijgaande
teekening van Menno van Meeteren Brouwer
is een moment bij de loketten vereeuwigd.
stemming van het publiek het operettegezelschap,
dat meestal volle zalen, en ook vaak, het meest op
Zaterdag, zelfs een stampvolle zaal had. De stukken
vielen algemeen in den smaak en er werd
geweldig geapplaudisseerd, terwijl de dames met de
hoofdrollen bebloemd werden. Welverdiend, want ze
hebben goed spel gegeven. De muziek vooral was
aardig en mooi en het orkest kwam wel iroed tot zijn
recht. Wie er een goede plaats wilde hebben, moest
vroeg opstaan, want toen we eens op een Zaterdagmorgen
als mensen van de klok tien minuten voor
zeven bij de tentoonstelling kwamen, kregen we
nummer vijftien, wat beteekendo, dat men nog vroeger
op kan zijn: boosaardig hebben we onze voorgangers
ervan verdacht nog van den vorigen avond
op het terrein te zijn geweest! De tooneelen, die zich
bij de plaatsbespreking plachten af te spelen, heeft
onze teekenaar in beeld gebracht als op liet tweede
plaatje hierbij.
De operettes hadden dus volle zalen en vermaakten
ieder, ze waren op zichzelve een prachtreclame,
maar ook de andere genoegens op het terrein van
de tentoonstelling kregen meer bezoek dan gewoonlijk.
De tangodansers van Wilten hadden het succes,
waaraan zij met hun elegante dansen gewoon zijn
en ze vertoonden steeds een divertissement, dat
vele bezoekers naar het terras bracht, die er om
vochten de eerste plaatsen, bij de open middelmoot,
te krijgen. Als op Zaterdagavond de operette
was afgeloopen, werd er storm geloopen, eerst op deweinige nog overgebleven rieten stoelen, daarna op
de andere stoelen en tafels en ten slotte werd door
velen een inval gedaan in de tooneelzaal, waar men
de stoelen vandaan haalde, tot er geen meer mocht
worden weggenomen, daar de commissie voor den
schouwburg de deuren liet sluiten. Eet wasei*werkelijk
bijzonder gezellig en ook bij Trocadero vond men
een grooter aantal bezoekers, toen er weer een nieuwe
attractie was ontdekt: de neger en de Europeesche
danseres, die werkelijk uitstekend dansten maar weer
in een ander genre dan de vroegere dansers. De
neger vooral had buitengewoon succes.
Hoe de heeren zich bij dergelijke feestelijkheden
vermaken, kon het speurend oog van de dames
niet ontgaan, en vaak snapte de wettige gade manlief
op het moment dat hij zich in een luchtig gesprek
trachtte te begeven met de schoone juffrouw, toen
ze hem den edelen drank champagne Delbeek bracht.
Zondagavonds was het weer een genoeglijke drukte.
En ook dezen avond was het verder tot de laatste tram
en daarna genoeglijk op de tentoonstelling voor zoover
het gedeelte betreft, waar de Europeanen zich plachten
te vermaken.
Van inlanders werd nietzoo buitengewoon veel gemerkt
in verhoudingtot de vertegenwoordigers van andere
rassen. Wel zagen we nog al eens de kweekelingen
van scholen onder leiding van hun onderwijzers
13d (I). (Zonder aandeel in de winst).
STUDIERENTE.
Verzekering van Toekomstige Tijdelijke Lijfrente voor een onbepaald aantal personen.
De betaling der rente geschiedt in driemaandelijksehe termijnen. Voorbeeld: Een vader, oud 30 jaar, wil zijn zoontje, oud 3 jaar, een studierente
verzekeren, aanvangende na 10 jaren en alsdan betaalbaar gedurende 5 jaren. Sterft de vader b. v. na 3 jaar en 5 maanden, dan houdt de premiebetaling op
en vangt de rentebetaling dadelijk aan; de rente wordt dan gedurende 11 jaar en 7 maanden betaald. De eerste rentebetaling loopt over 1 maand. Overlijdt
zijn zoontje voor den aanvang van of gedurende de rentebetaling, dan gaat de betaling der rente toch door, en kan deze worden aangewend voor een of meer
der andere kinderen, of voor een ander doel dienen.
De maandelijksche premie bedraagt voor f 500,— jaarlijksche rente f 21,35. Vraagt premieopgave.
k heb den apachendans reeds tientallen ma-
I len gezien en er nog vaker over gelezen. Jaren
her reeds. Eerst schreef men er van in boek Hja en krant, las je passioneele volzinnen vol
■XX- zwoele romantiek. Je duizelde van zooveel
woest leven en hunkerde naar het aanschouwen. Toen
brachten de films de bewegingen, de ware, en aanschouwde
je de kerels en meiden van de Parijsche
donkerste-straten in hun misdaad en samenleven: de
apachendans ontbrak niet. Maar het trilbeeld werkt
wel o]) ons in, doch vermag het verlangen naar de
onomstootelijke werkelijkheid niet te blusschen. Toen
kwam in het goeie Nederland, in de hoofdsteden, de
apachendans op het tooneel, gelijk nu de tango en
wat verder de dans aan modems brengt. Destijds
was het die der apachen. Een vent met een pet en ••en rooden halsdoek en een in-gemeen gezicht met
lok over het voorhoofd en een nog gemeener roepfluitje.
Een vrouw met uitwarrelende haren en een
los jak en een gelaat met een feilen, zinnelijken trek.
En beiden metfiguren vol lenigheid en vermetele gracie.
Zoo kwamen ze op de planken in revue en operette
en in specialiteiten-theaters. Ik heb altijd nog een
bewonderende herinnering bewaard aan de uitbeelding
door het duo-Davids, en door Meina Irwen in Amsterdam gegeven, waarvan een opzweepende en
verleidende kracht uitging.
Dan denk ik nog wel aan de natuurlijk later gekomen
parodieën op den apachendans. Bij Carré heb
ik eens een paar clowns een onverbeterlijke zien uitvoeren,
met pruiken op van vlas en metallesValsch
aan de lichamen, dat maar eenigszins valsch zijnkan,
met al de gevolgen van losraken van die imitatieschoonheden.
In Parijs heb ik den waren apachendans gezocht
maar niet gevonden. Ik heb me dus steeds
moeten vergenoegen niet de inderdaad prachtige tooneel-
uitvoeringen en met de muziek van de
valse chaloupée, muziek van evon-rythmisch
bewegen en dan weer van brute overgaveaan
een orgie, waardoor geleidelijke walslempi
zweven.
Nu lieb 'k weer ter tentoonstelling op liet
Wilten-bordes voor de feestzaal voor de zooveelste
maal den apachendans zien uitvoeren. Zoovele
hoofden, zoovele zinnen, zoovele thema's, zoovele
variaties erop, op om in de teiitoonstollingstaal van deze
stad te blijven : zoovele menschen, zoovele paren bestoven
schoenen, — zoodat ik maar zeggen wil, dat
de verschillende executanten er verscheidene wijzen
van uitvoering op na houden. Prof. Becker en juffr.
d'Etry dansten den apachendans weer anders, dan ik
het vroeger wel gezien had, maar ze boden een kostelijk
genieten. Ik zou deze wijze van apachsch dansende
verfn'nde willen noemen. De types waren meer mondain
dan de ware, het dansen zelf ging beschaafder,
gentlemen-apachen. De Arsène Lupins van de danse
des apaches. De danseres viel ter aarde als was zij
iels etherisch, lucht; de ruwheid, welke de passencompositie
voorafgaat, werd daardoor niet als zoodanig
gevoeld. Maar voor het overige dansten beiden
niet een elastische elcgance en een overgave, welke
terecht de toeschouwers in vervoering brachten.
De apachendans is te Semarang in eere herlee
Voor het sluiten van verzekeringen met aandeel in de winst is veel te betrokken zeggen; doch alleen dan, als men zich ervan overtuigd heeft, dat de maatschappij steeds werkelijk voldoende winst aan verzekerden heeft kunnen uitkeeren
et was warm. We zouden, na een journawandeling
over de terreinen
jjü Teen verhaal kunnen opzetten over: hoe
warm het was en hoe ver. Het was ver
om van den eenen kant van het terrein
naar den anderen te komen. Het was een
militaire wandeling om van het uiterste hoekje van
Solo naar de schietbanen op den heuvel te komen.
En vooral in den morgen. Wanneer wij, die het
geluk hadden dagehjks onze lezers genot te bereiden met eenige kolommen lectuur uit, over en om de
tentoonstelling, den eenigen vrijen halven dag, dien
een kranteniensch zich kan permitteeren, den Zondagmorgen,
naar de tentoonstelling trokken, was dat met de bedoeling om veel te zien, te bestudeeren,
dan legden we den afstand eenige malen al', die een
ander burgermensch in een veertien dagen wandelt.
Warm was het en wie naar de tentoonstelling gin-,
deed wijs zich daarnaar te richten. Een Schillerkraag
was practischer dan een dubbele hooge pasgestreken
boord en een donker pak was voor de avondwind opkwam
uit den booze.
Toch zag men de bergklimmers zich naar boven
hijschen met de meest warm makende zaken bij zich,
als daar zijn; huilend kroost, dikke moekes. De zon
scheen dan met spotternij nog eens zoo hevig op
hun gebruinde gezichten en de kleedij begon zoo langzamerhand
een schakeering van kleuren te krijgen.
Die bezoekers van 's morgens ontzagen niets, ze
ontzagen niet de warme thee van het Pormosapaviljoen,
ze ontzagen niet de wandeling naar het hoogste
boven, ze waren er, en ze zouden doen alsof ze van
geen zon en geen warmte wisten. Hun toch wachtte
daarboven een zitje en een uitzicht, dat alles weer
vergoedde. Dat doet je de zwaartekracht vergeten die
door het gewicht van zoonlief zie plaat en vrouwlief
werd verdriedubbeld: dat doet je, als je er eenmaal
gezeten bent, niet zooveel stil genoegen en zelfs
met een grijns van Schadenfreude, de anderen binnen
zien komen, die ook zich omhoog hijsenten en
die ook het hoogste doel voor oogen hielden . . . het potje bier!
Ze kwamen bij het paviljoen de Vrouw op een
derde van de hoogte, keken er rond, met belangstelling
ja, maar ze wilden meer .... excelsior.
Ze kwamen aan liet Nederiandsch Verbond, keken
rond, bewonderden, maar het was niet dat . , . excelsior
!
Tot ze boven de restauratie zagen en daarkwamen
ze dan ten slotte aan als de meest volhardende wezens,
die er op dezen aardbodem rondwandelen. In
de overtuiging, dat het loon den arbeid waardig is.
En hun voorbeeld vond nog veel meer navolging
vooral des avonds, wanneer de zon onder was en
de heldenmoed niet zoo groot behoefde te zijn. Het was
werkelijk zoo erg niet als het leek, wanneer men
tegen den berg opzag.
heeren. Hoewel
zij hun huizen
zoobouwden,alsof
zij eiken
vreemdenblik in
hun huiselijk gedoe
wilden uitsluiten,
— er is
maar een toegangtot
het huis,
een luik te bereiken
langs een
paal met inkervingen,
en die paal wordt 's avonds opgehaald—een
trap voor 't huis zooals bij het tentoonstellingshuis is
iets heel bijzonders —laten zij het dadelijk zien aan
elk, die er prijs op mocht stellen.
Een Europeaan maakt hoogstens een of twee maal
van die gastvrijheid gebruik om zijn nieuwsgierigheid
te bevredigen. In de typisch Bataksche huizen is het
typisch Bataksch donkeren vies en rookerig. De gastvrijheid
van de Batakkers gaat echter zeer ver. Een
bezoeker van een afgelegen Karo-Batakkampong aan
het Toba-mcer, welke slechts eens door een enkel
Europeaan was bezocht geworden, zag het vrij blank
souvenir door dien Europeaan daar achtergelaten op
twee mollige beentjes tusschon deBatak-kinderen dartelen.
Het kampong-hoofd was zeer vereerd met de
komst van den nieuwen Europeeschen bezoeker. Hij
danste voor hem. Hij bood geschenken aan, mooie
kains en heel oud porcelein. De gast vereerde het hoofd
met eenige rijksdaalders, die onder protest aanvaard
werden, maar het hoofd moed gaven om te vragen of
de gast niet nog. zoon souvenir wilde achterlaten als
de vorige Europeesche bezoeker, dan moest hij maar
naar boven gaan —zijn familie was thuis . . . Het is in een Batakwoning zoo donker, dat men
zich goed begrijpen kan welke diepere beteekenis er
schuilt in dat Bataksche liefdegedicht: „Als ik u niet
naderen mag, laat ik u dan ten minste mogen zien".
Op dehoudt men halt, zoodra men zijn hoofd door
het luik van de geheel afgesloten voorgalern' heeft
gestoken. Ik heb vele Europeanen gezien die Batakhuizeri
gingen bezichtigen. Allen stonden stil als zij
't hoofd binnen het huis hadden. „Zij wisten niet
wat hun loodzwaar viel op de oogen" om met Jacquos
Perk te spreken. Maar ook de lucht was niet te harden.
Dat deed den bezoeker aarzelen voorhij verder
op 't laddertje klom en het huis binnenstapte. Pij dames
duurde dat moment van aarzeling daar zij fijner
bezintuigd zijn, altijd wat langer dan bij de heoren.
Hei is goed, dat velen van hen of haar niet hebben
gezien, welken indruk zij zelf zoo maakten, als voor
de buitenstaande!! alleen hun onderlijf' was te zien.
De Batakker heeft voor vrouwen zeer
hoffelijke heleefdheidsfrases. Hij spreekt
van zijn eigen vrouw in deze bewoor- - dingen: „mijn bedgenoot, die mijn varkens
voert," — „mijn lust, die mijn mat spreidt" — „mijn kindermeid, die mijn hond voert".
Tegen andere vrouwen is hij nog hoffelijker,
maar voor Europeesche dames is hij zoo hoffelijk,
dat hij geen woorden vinden kan en haar
niet open mond aanstaart. Zoodat een Europeesche
dame, die een Batakhuis als gast bezoekt, boven en
ondel' stilzwijgen verwekt. Want niet zoodra heeft zij
hoofd en schouders door het luik gestoken of de
beleefde liuislieer zal op de voorgalerij naar voren
komen, buigen — en niets zeggen en de tochtgenooten
van de dame of voorbijgangers buiten staren
met verbazing naar die ~doorgezaagde" vrouwenfiguur.
De benauwende stilte rondomme en de ervaring van
neus, oogen en mond zijn wel eens te veel gebleken
voor zeer moedige vrouwen.
Een dame moet weten, wat ze doet, als ze een
Batakhuis bezichtigt. Maar dat op de tentoonstelling
had geen luchtjes, geen rook, geen ongedierte. En
het stond wat afgelegen, uit de passage. Dames konden
een bezoek dus gerust wagen.
Jevea
Bij overlijden wordt hst bedrag door De Combinatie onverkort uitgekeerd: Das zonder atliondinx der onverschenen
premie-termfinen van het loopende verzekeringsjaar.
et kon niet Europeescher. Het verschil was alleen,
dat hierbuiten genoten werd, wat men in */'s■"f tmm vEuropa binnen vier wanden vertoont Er was tM niet de broeierige beslotenheid van geluid- f . dempende kleeden, gevangen sigaretten-damp
en lampekapjes, maai' de ..Ahnung" was er
toch wel. Frivole en komieke pastels van
Menno, veel kleurige en wilde reclame-prenten
en het kostelijke strijkje met den goed-
Eollandschen maestro Bossini,rank en lenig,
die het kleine hoofd met den duidelijken
lok legen zijn viool vleit en de artist blijft,
altijd maai- wiegend, verrukt over de eigen
toon, het luisterende violistengezicht naar
een eigen verte en die soms op eens strijkend
aan het wandelen gaat. Dat strijkje heeft
zijn vaste publiek gewonnen, zooals dat ook
in Europa geschiedt.
Dan kwam er de neger niet zijn overblanke
Zweedsche, zij dansten samen geestig
en fel en luidruchtig en trappelden met onuitputtelijke
bezieling en dan kwam er weer
Jet Blazer — leve Rotterdam! — en gaf er
haar onschuldigen zang en \ erder wandelde
er in zelfde onschuld en bekoorlijkheid mej.
Paillette, hetzij in een volwassen bébé-toilet,
ofanders in volwassen travesti. Zij drentelde zoon beetje rond, had geen scherp belijnde
taak, ofschoon zij toch allerminst onop-Bij DE COMBINATIE bepaalt de laatste verjaardag de premie, ook al waren 364 dagen na dien laatsten verjaardag verloopen.
bv. lemand, die op 2 December 31 jaar wordt, betaalt de premie voor een dertigjarige, als hij de polis sluit met ingang van 1 December.
gemerkt bleef. En als het in Trocadero in den vroegen
avond nog een onderonsje was, maakten Eenriette
en Paillette zoo eventjes een dansje en dat werd onder-
ons hoogelijk gewaardeerd.
Zoo waren we daargansch in Europa, maar dan zonder
de omwanding.
Er kwam wel eens zoon enkelebezoeker, die „Trocadero"
niet met juistheid begreep, een binnenlander,
die van mej. Paillette verrukkelijk schrikte. Maar dat
wende opmerkelijk spoedig.
slange premiebetaling (Tabel la) vooreen 23jarig persoon, f 16.90, terwijl hiervoor bij de maatschappijen, die een uniform tarief aannamen, f 19.10 moet
worden betaald. Sluit deze23-jarige deze verzekering van f 10.000 met winst, dan betaalt hij daarvoor bij De Combinatie f 17.80 en bij de andere
maatschappijen f 21.20 in de maand.
Wat er schitterde.
f£jy ner schitterde hier op de tentoonstelling zoo- |"s veel, al was het niet al goud wat er blonk! fIL/jjfc Veel goud en veel cdelsteenen waren er toch
wel, echte, van groote waarde en van hooge
prijzen. Het meest schitterde er de zaal van de inheemsche
nijverheid en die vanden handel, aan den
westelijken kant, waar alles wel goud en zilver was
dat er blonk. Groote belangstelling bleef het diamanten
collier hebben van zooveel duizenden pegels waarde,
dat als hoofdprijs van de tentoonstelling fungeerde en
met andere prijzen in eerst genoemd gebouw werd
tentoongesteld. Onze teekenaar, Menno van Meeteren
Brouwer, vond daar bij dien stand een pra'chtbron
van inspiraties voor zijn pennewerk en hij heeft als
een psycholoog van de pon nvt bijgaande fijne trekjes
zoon moment bij het collier vastgelegd. De verwondering
doet den totok, die nooit aan een inlandsch
hof is geweest, ébahi staan, deEuropeesche juffrouw,
die dat zware versieren van iemands corpus niet
weet te waardeeren, zegt dat liet wel mooi is, maarbrengt geen polisgeld in rekening. DE COMBINATIE waarborgt de AUTOMATISCHE OMZETTING of VOORTZETTING der
verzekering.
datje zoo ietstoch niet
dragen kunt. Waaraan
zij wel gelijk heeft!
Maar de hier langer
onder de palmen
gewandeld hebbende
schoone, wier fijne
temt een schitterend
steentje weet te verdragen,
die het verschil
tusschen mooi
en niet mooi bij de sieraden
drommels goed
weet en die als kind
al van briljant jessprak
als de Nederlandsche
jeugd van knikkers
en kralen, ze is een
aandoen en dan even, zoo heel even dat collier om
doen, zien, hoe het schitteren zou op de borst en hoe
de steentjes zouden lichten en blauwig glanzen.
De juwelier weet wel hoe hij dat moet uitstallen
op den donkeren achtergrond en de dames met zeer
blanken boezem, die ook weten, dat donker fluweel
zoo mooi kan staan tegen het blonde en blanke, ze
zouden er wat mooi mee zijn, al was het ook haar
te schitterend en te zwaar.
Het collier is evenwel meer: het vertegenwoordigt
vele tienduizenden en de leverancier heeft er al het
bod op gedaan, dat tien van de twaalf geluksaspiranteii
wTel dadelijk zouden aanvaarden. De tijden zijn duur
en de duiten hier en daar wat schaarsch, de oude
dag is verzekerd en geen levensverzekeringspremie
zoo klein
en al aandacht, en ze zucht eens en tast in het moderne
taschje om te zien of het lot van de loterij
er nog wel is. Och, ook zij zou het niet dragen als
fortuna eens zoo goedgunstig was wat moois voor
haar lot te brengen, maar toch, ze zou de deur dicht
doen van haar boudoir en die mooie japon even
Een eerste 5 jaar verminderd tarief: ' 20-jarige simt bij I»e Combinatie een gemengde of immertrekkende verzekering met een duur van 20 jaar. Hiervoor betaalt hij met winst, de eerste 5 jaar voor ƒ 10.000 slechts ƒ 27.60 in de maand, en de volgende 15 jaar / 41.—
De fideele stad.
aemarangwas nu een operette-stad, een walsstad,
het Weenen van Indië.
Eiken Zaterdagavond had er een première
plaats van een operette. Nog eens, midden
in de week, ..ging" er een operette, welke
reeds eenmaal hier voor 't voetlicht kwam. In 't
cabaret hoorde men nog eens. een of twee keer
per week, wat brokstukken van opeiettes, de strijkorkestjes
en onze muziekkapellen Adelden en bliezen
potpourri's en walsen en liedjes uit die operettes. Bij
de handelaren in muziek waren alleen nog maar phonolarollen,
gramofoon-platon en muzieknummers uit
die operettes lakoe. En de Semarangsche kampongjongen
floot „In der Nacht" en de Europeanen poetsten zich in hun badkamers, de eenige plaats waar de
Nederlander in de tropen naar hartelust zingt en fluit,
op den maat van een zelf-gekweclde wals, een twostep
of een marsen uit de operettes.
Zelfs moppen uit operettes, welke hier nog niet
eens waren opgevoerd, hoorde men fluiten en k winkeieeren.
„Die Kino-Königin" kende men al van buiten,
ook „Püppchen", „Jux-baron", „Es war einstim Mai".
De Semarangers werden nu met sprankelende,
levende, Crissche muziek als ge-siramd. En dat kon
den Semarangers niet anders dan goed doen. We
voelden er ons zeer lekker bij. Er zou al een operettete
maken zijn met den titel „De vroohjke Semaranger."
Het eerste bedrijf zou op de „Sen-telling", het tweede
in huis met een deurwaarder voor de deur, het derde
in een badkamer kunnen spelen. Voor heel velen van
ons zouden er rollen in kunnen zijn. Het tooneel van
de feestzaal zou wellicht te klein wezen. Wanter zou
toch minstens één groot ballet in moeten voorkomen
van alle kunststerren van de „Sen-telling" met
hun aanhangsels, en vooral die aanhangsels waren zoo
groot in aantal. En een schifting van al die „exposanten",
die „hors de concours" zijn en elkander toch
hevig beconcurreerden en heftig dongen naar de hoogste
onderscheidingen, en daarenboven niets voor hun
„stand"behoefden te betalen,—de Semarangsche dames,
in de nieuwste toiletten en hoeden, zou zoo moeilijk
wezen, dat men haar allen op de planken zou moeten
nemen. En de Soerabajanussen en de Batavierenen
de Gokjaneezen zouden in de zaal zitten en zouden
lekker nog f 2.75 moeten dokken om ons te zien en
te hooren.
Dat zou iets kunnen worden ! We hebben er nu het
stemmateriaalvoor, we zingen immers allen, en de luchtigheid
en zwierigheid, hetpikante, amusante is onsdoor
de genoten operéttesde laatste maanden aangewaaid.
We weten van bezadigde menschen, getrouwde lui,
die 's avonds op het matje voor hun bed, dansen en
zingen, bijvoorbeeld:
Zweimal Zwei ist Viere
Und dreimal Drei ist Neun
Doch Eins und Eins
Kami mitunter leicht
(ifters Dreie sein.
Madel lerne das einmal Eins
Und das A. 1'». C.
Deun hast du einmal A gesagt
So sagst du leicht Bébé.
Er zijn anderen, die stiekum den tango probeeren
in hun badkamer. En er zijn er heel velen,
die zóó naar Frenzel en Reiff gekeken hebben,
als die in „Walzertraum", of als Joachim en Kindeimann
opkomen, dat zij bij 't binnenkomen van
een zaal krek eender zich gedragen. Wij Semarangers
gingen ook naar operettes om te zien en gezien te
worden. Vroeger vergaten we vaak op te letten, hoe
wij onze entree maakten. Nu spelen we allen zoon
beetje komedie. We praten wat luider we geven zeer
duidelijke handdrukken, we buigen dieper, we zeggen
„Ach so!" —en „Pfui!" en „hab' keine Ahnung". En
dat laatste doen wc niet, omdat we zoo graag onze
neutraliteit naar zekere richting schenden, maar meer,
gedachteloos, omdat die gezegden nu eenmaal van
de „Bühne vast in onze hoofden zijn geraakt.
Nu is er laatst door een Haagschcn menheer ineen
Indisch blad geboekstaafd, dat de Indische menschen zoon bijzondere goesting hebben in operettes. In den
Haag waren de Tndische menschen stamgasten in de
operette-theaters, zei die croniqueur. Ze waren er niet
van weg te slaan. Zien de Oost-Indische dames enheeren
op het operette-tooneel wellicht een weerspiegeling
van hun denken, doen enleven, en is zoo hun operetteliefde
te verklaren? Of houden zij er zoo van, wijl
't 'n aantrekkelijke tegenstelling
is met hun
leven? Beide invloeden
zullen hier werken.
Na al die jaren
van Indisvhe verveling
h oudt de groote massa
van de Indische menschen
voornamelijk
vanlichten kost en dan
ja, we zijn inderdaad
wat romantischer, wal
kitteliger van aard,
wat meer „ngemas",
wat luchtiger geworden
dan we vroeger
waren,ofdan
onze voor vaderen
inNederland
geweest zijn. We zijn dol op dansen, dol op luchtige
muziek, dol op luidruchtigheid, dol op veel
dol op uitbundigheid. Ons drinken is uit-drinken, ons
vieren uitvieren, leven uitleven, zingen uitzingen, en
ons praten —uit-halen. Dat iemand zingend zegt, wat
een ander gewoon vertelt, is voor ons niets vreemds
Ons spreken is immers zingen. Elke letter-greep is
voor ons een noot.
En dus waren we nu met al die operettes in de volle
genieting. Hoe we 't uitdrukten, of wTe zeiden: „Lho
mijn ghart hij gaat naarrr bove!" en „massaa, soo
Ihiief is deze stuk!", of wel „heusch, zeg, mijn hart
gaat open; 't is vreeselijk zalig!" en „charmante muziek,
ik geniet dol!",het kwam uit't zelfde gevoel, uit
dezelfde geestdrift voort.Semarang zwom in operettezaligheid,
of, om 't beeld Indisch te doen blijven:
Semarang mandiede in operette-zaligheid. We maakten
ons „lekker" met operettes.
Als je nu zaken te doen had dan wachtte je tot
degeen, dien je bevoordeelen wilde, naar 'n operette
was geweest. Do „beroemde" wals daaruit fluitend kom
je den volgenden morgen bij hem op 't kantoor.
Denkelijk fluit hij mee, misschien zegt hij: „ja, dat
was aardig, hè, maar hoe is ook weer dat eene duet?
Ik kan er maar niet op komen". En dan spits je beiden
de lippen, en je knipt met je vingers, en staart
naar den grond of naar 't plafond, en zegt: daar
straks had ik 't nog. En dan komt 't. De eene fluit
'n strofe, de andere 'n tweede en samen heb jet dan
gevonden en geef je je over aan 'n genietend uitfluiten
van die meesleepende muziekwceldc. Waarna de zaken
prachtig vlotten. En zookon je nu hier zingendeen
fluitende bij de banken komen, bij deadvocaten, op het
belastingkantoor, op 't politie-bureau, je opgewektheid
zou weerklank vinden. Het washier 'n fideele boel. Dat
serieuze zijn we beu. Waren niet onze hoogste en meest
ernstige autoriteiten, de heeren van de strenge politie,
van de lauwe, langdradige waterleiding, van hetrustige
bezadigde bestuur, van de zorgvuldige gemeentereiniging,
van den zeurigdegelijken gemeenteraad, van de
innemend-onmenschelijke belastingen, van de lijzigedeftige
justitie en het oorlogs-gewichtige militairisme
allen avond aan avond in de zaal op de eerste rijen
bij de operettes te vinden? Geheel oor en oog. En
zou dat geen invloed hebben op de wijze, waarop wij
bestuurd worden, waarop hier zaken worden gedaan ?
Ik wed met u om een vrij-biljet voor 'n operette,
dat in een van de volgende raadsvergaderingen, of
in een gewestelijke-raads-bijeenkomst de voorzitter
tot zijn secretaris zegt, „Sic, mem lieber Lothar, es
ist nicht möglich", of „Sag' mal, Kindermann" en dat
de heer van der Spek, niet die van 't orkest van Frits
van Haarlem maar die van de dwangarbeiders, nu tot
nieuwaangekomen „orang-rantei" zingt: „In meinem
schonen Vögelhaüs". In 'n fidëêle stad. past'n fideel
bestuur. En wie er nog barsch en nijdasserig was van de
hooge heeren, de samenleving hier verschafte hem
'n abonnement voor de operettes. Wij fideélen, willen
het gezag graag hoog houden, zoo hoog, als dat
van Joachim, maar het gezag moet fideel zijn. < , zoo!
Jecea.
Kellners.
en Indische kellner begint zn dagtaak Js» 's avonds om zes uur ineen wit pak en om
■. drie kwart minuut over zessen ziet hij er 'jifeiiit, alsof hij in de Semarangrivier gelegen
WSÊt-heeft. ()m éon minuut over zessen is hij moe
en gaapt-ie, gaap-ie luider dan de klinkklank van
welke muziekkapel ook, welke is geëngageerd als
vergoeding voor de slechte bediening. Daar hij dan
nog niets te doen heeft gehad, zal hij moe van het
vuil-worden zijn. Zoolang er weinig gasten zijn, maken
de kellners het zich druk met enkele bestellingen,
loopt het voller, dan éclipseeren zij. Men ziet dan
klanten kellners vangen en bij hun baadjes grijpen.
Hen kellner in de hand is beter dan tien achter een
paar bloempotten en wat stoelen. Daar niemand ook
maar eenige I'educie in een kellner heeft, schrijft
men hier de bestellingen op hun boekjes. Men bidt
daarbij snel: groote heer in uwe handen beveel ik mijn
dranken! en wacht. De kellner keert niet wreer. Gij
vangt een ander exemplaar en herhaalt uw bestelling.
Plotseling staan beide kellners, de vorige en de nieuwe
met het bestelde voor u. Daar sta je paf van. Hoe
kan de eene het zoo gauw en doet de
andere er zoo lang over V Laat alle
herinneringen varen aan kellners in Europa,
zoo gij met de Indische te doen
hebt. De Indische kan niets, weet niets,
doet niets. Zelfs een fooitje wekt hem
niet op. De Europeesche kellner zegt
voor een stuiver fooi: dank u zeer
beleefd meneer, voor 10 cent, dank u
beleefd meneer, voor een kwartje, danku;
deIndische zegt niets, al geeft men
een gulden. Een goede eigenschap heeft hij, hij bedriegt
gewoonlijk meer zijn patroon dan de klanten
van den patroon. Attent voor de klanten is hij echter
ook nooit. Hij brengt u geen stoel aan, hij zal u niet
bij het aantrekken van een jas behulpzaam zijn. Hij
geeft u geen vlammetje voor uw sigaar. Alles moet
hem gevraagd, bevolen worden. Er zijn slechte en
minder slechte kellners, en onwillige en niet- gewillige.
Niemand weet, hoe zij ontstaan. Zij wrorden
blijkbaar als kellner geboren, of zijn van een volkstam,
in welke het kellnerschap van vader op zoon
overgaat Men zegt wel eens, dat de Indische kellner
vandaag straatveger, morgen kellner, overmorgen
oppas is. Maar als de kellnersschare uit zulke
heterogene doelen ware samengesteld, zou toch
niet ieder van hen dezelfde hebbelijkheden, fouten
en karaktereigenschappen kunnen -hebben !
Misschien is 't dus zoo, dat sommige voor
't kellners-vak bestemde personen, tijdelijk
wr el eens wat anders doen. Het begaafde
volk der kellners leeft in kudden bijeen.
De enkele afgedwaalden zijn makkelijk te
herkennen. Een inlander, wien het tidah
tav, belon, koerang priksa, tidali bisah in ven
mond bestorven ligt, hoort waarschijnlijk tot den
stam der kellners, en als hij dan ook nog het ijs
met zn vingers in glazen doet, een bierflesch niet
zonder behulp van een om zn schouder gebonden
servet kan opentrekken en vuile glazen schoonwrijft
met 'n doek, welke hij ook gebruikte om 't
stof van zn voeten te slaan, dan is 't stellig een
kellner.
Voor de tentoonstelling zijn zelfs de verst-afgedwaalde
afstammelingen van de groote kudde, waaronder
vele bastaards, in de binnenlanden door middel van
drijfjachten, strikken en vallen gevangen. Er waren er
bij zóó schuw, zoo ontwend aan de samenleving, dat
zij op 't minste, zachtste geroep van „djongos" verschrikt
hun ooren spitsten en naar hun holen slopen.
Jevea
smaken verschillen. Er zijn er, die het ware ffr)_Ks|plezier op de tentoonstelling eerst kenden. fit '&/Ë;l *s 6r levenkwam inTrocadero. Dal was na *?H _r onen on later, als de operette uitging. Dan
zaten daarinEuropeeschegenoegeüjkheiddemenschen
in een grooten kring en groottoilet enhadden plezier
in de song and dance en bleven er dan vaak uren
in den nacht. Daar zit wel wat in.
Anderen deden het bedaarder. Wilton was hun territoir.
Men zat er zoo tot een uur of elf, half twaalf, ook
nog wel iets later — in den vooravond zat er meesttijds
het gezinsleven om de tafeltjes en genoot er rustigjes
van den mooien avond buiten het terras en van de
voorbijgangers en van de schutternmuziek en van de
het dansende paar met het strijkje. Het was daar op
het terras een min of meer geraffineerde Hollandsche
buitensociëteit.
Het genoegen werd ook wel hoogerop gezocht
in de beste uren vanden avond. Zoo was het boven
bij Smabers kostelijk zitten in de etensuren. Het was
een klim en het bleef een klim, maar was dat leed eenmaal
verklommen, dan liet ge maar een tafeltje
vooraan zetten onder den blooten hemel en liet dan
maar voor uw gezelschap opdienen. Daar dan met
een groot kringetje te dineeren, het strijkje rustig en
gemakkelijk melodieus en voor je uitin de laagte heel
de tentoonstellingsstad in licht en verre muziek onder
den wijden Indischen avond. Dat krijgen we hier
na de tentoonstelling niet gauw terug.
Dan waren er nog de thee-uren. Zonder iets onwelwillends
van de andere uren te zeggen, waren die
van vijf tot half acht toch wel de deugdzaamste van
den dag. Kwam je tegen dien tijd eens bij Semarang-
Kedoe, dan zatten daar deIndische menschen zoo door
en door fatsoenlijk en bedaard en intierapjes thee te
drinken — een groote trekpot voor het heele tafeltje
en één moederlijke schenkster op het boerderij-achtige
plateautje en hetruime landzicht, — dat het bijna was
alsof het daar„de Kap" was bij Warnsveld, of „De Dolle
Hoed" bij Lochcni, of Wijkeburg, zoo netjes en Hollandsch
met tevreden ouders en spelende kinderen
om de regionen van het tafeltje. De boerin mankeerde.
Een eindje verder en een eindje hooger lag „Soekaboemi",
de andere tea-gelegenheid.Het was daar weer
wal anders, meer iets van de stad. Als de lichtjes
opgingen in den laatsten dagschijn en daar de koelte
langs de hoofden gleedt,moest ge u daar dan rustig neerzetten
als het kon op het uiterstehoekje van het terrasje;
dat was het beste plekje. De thee werd u stil aangebracht
en dan maar kijken zonder te denken. De
tentoonstelling lag ter volle, overvolle schouwing in de
laagte en geleidelijk werd van overal beneden het
licht uitgezonden. Kostelijk.
De tentoonstellingsgeruchten gaan al-maar-door.
Het trammetje met zijn belletje en zn ti-ti-ti,
ge ziet het kruipen; van uit liet Lima-park
het mechanische orgel van den draaimolen, dat zelf
niet weet, dat het spektakel maakt; de muziek van
de groote tent op het terras vlucht bij vlagen naar
boven en over het groote terrein langs de paden,
langs de paviljoens, van uit de zalen, onder de fontein
door, dribbelen de menschen of staan ze te kijken, allemaal beneden in de verte, als op een prentje. Ook
komen er zuchtend lieden den heuvel op, dames
roepen vermoeid hè-hè en gos-gos, zij blijven even
rustend staan en lachen naar anderen, dieachter zijn
en met den zakdoek waaien, en eindelijk is het heele
gezelschap er, samen in pret en maar weer verder.
Sjongen-sjongen. • • • •
Dan wachtte ge maar weer op wat anders en keek
maar uit en keek maar uit. Het was daar goed op
„Soekaboemi".
De climax van de beste uren was deze. Eerst deugdzaam
naar Semarang-Kedoe, dan deftig naar „Soekaboemi,"
verder een splitjebij Smabers en tegen achten
naar het wereldsche rijk beneden. Van af negen
uur was de graad van deugdzaamheid naar believen
te bepalen. In de operette was zij zeer zeker bij goed
zoeken te vinden en tenslotte was het tegen twaalven
bij den „Troc" óók zeer goed
Fortunadienst.
\\ 'È e dienen allemaal graag vrouwe Portuna. 'IW/ Je kunt je heele leven ploeteren voor
lMf een fatsoenlijk bestaan, voor een goed
VW. nuis en een zijden japon voorje vrouwen
voor je wijntje in den na&vond, je kunt vansmorgens
vroeg (dat is acht uur) tot 's avonds laat arbeiden om
een goed salaris en wat jaarpercenten bij elkaar te
krijgen, de manier om rijk te worden is dat niet.
Rijk wordt je in de meeste gevallen met niks doen.
Dan helpt vrouw" Fortuna je.
Je kunt jaren en jaren speculeeren en je makelaars
voor je laten werken, Ie bonheiir vient en dormant
dat wil zoggen, als je zelf slaapt. En dat is geen
verdienste van je makelaar, dien het koud laat of
jou mynbouwpapieren de hoogte ingingen.
Je kunt dagen lang werken en een pracht-artikel
voor een tijdschrift plegen, al heb je er meer genieïgheid
in gelegd en meer hersenarbeid dan een
suikeradministrateur in zijn heelen maaltijd noodig
heeft om extra superieure hoofdsuiker nonimer god
mag weten hoeveel te maken, je krijgt er voor betaald
per pagina of je krijgt een bedankje thuis met
de meedeeling: ik durf tt hiervoor geen salaris aan
te bieden, daarvoor hebt u het natuurlijk niet geschreven!
Jawel, alsof het monopolie om van gemalen
hei'sensarbeid zwaar te profiteeren alleen aan
sommige categorieën van geldmenschen toekomt.
Zou Rothschild rijk en rijker zijn geworden door
hard werken? Geen denken aan: hij werd rijk, omdat
de fortuin met hem was, omdat in den tijd dat
oerpapa leefde vele kleine staten duitennood hadden
en hij in de gratie was bij keurvorsten en andere
menschen met wat te commandeeren. Dat later de
zonen van Rothschild nog maar steeds meer verdienden,
ligt aan de geografische en natuurkundige waarheid,
dat het water steeds naar de zee stroomt.
Wanneer Fortuna niet met je is, wordt je niet
rijk en de jacht op geluk en rijkdom is er een op
deze grillige dame, die haar aanbidders zoo geducht
bij den neus kan nemen en altijd wel eenige trawanten
vindt om daarbij een handje te helpen.
Vandaar het bestaan van makelaars in etfekten.
van rijstliaiidelaren, van Monaco, van de écartétafeL
van de races, van schiettenten en van Redjang Lebongs,
van altemaaltopjes en dadoes, vanraderen der
fortuin en van koloniale tentoonstellingsloterijen.
We dienen allemaal op onze manier Fortuna en
de eene manier is wat grover dan de andere en natuurlijk
kan elke methode worden overdreven en dan
doet zich het verschijnsel voor, dat men met een slag
erop of heelemaal eronder kan wezen. Maai- wee wie
verliest, hij is ge- en veroordeeld
In ons bescheiden Lunaparkje had
de Fortunacultus haar vele belijders.
Die ver dan rond te draaien in de draaimolens
met rond- en met op-en-neergaande
bewegingen, staan we stil bij
de Russische biljarten en bij worpschijven
èn vooral bij een sehiettent.
Want de sehiettent kan dan tenminste
nog de illusie geven van winnen met
eigen bekwaamheid en we bedotten
onszelfal even graagals een Lunapark-
Bombayer het zijn publiekje doet! We
hebben deillusie vanschietkunstte vertoonen
en daarom danken we tiet aan
onszelf als de kleine zwarte punt in
de groote witte schijf wordt geraakt
en ergens een belletje liet raken begint
te signaleeren, maar we wijten
het aan't geweer of aan de tent, wanneer
dat effect niet wordt verkregen
en wc on*ze duiten weer kwijt zij
Fortuna is allesbehalve gewillig: ze lacht je toe
met mooie voorwerpen,maarprobeermaar eens debeste
weg te schieten: daar kan de beste scherpschutter zn
kapitaal wel mee verdoen en dan zou het voordecliger
zijn geweest op maandrekening zoondingzelftekoopen !
Onze teekenaar heeft een moment voor de gokgelegendheden
in het Lunapark wat gefantaiseerd vereeuwigd.
We zien het dat heertje doen: een klok te
winnen bij de sehiettent! Bij de Japanners ging dat
beter, loopt daar niet zoo nu en dan iemand met een
klok of scherm of een harremonica naar huis, gekregen
voor het verdubbelde duppie'? Trouwens wat heeft
nu toch eigenlijk een heertjealshierbij zijn conterfeitsel
vertoont nog meer van Fortuna te vragen: is hij al
niet gezegend met een wonderbaren spruit en met een
huisplaag als er geen tweede op deze heele showT binnen
noch buiten de tenten te zien valt?
Maar Fortuna doet dat misschien niet met opzet,
booze tongen zeggen, dat ons aller godin blind is,blinder
dan de geblinddoekte Themis en blinder dan de blinde
Theocrates.
En toch zoeken we haar en trachten haar hand te
pakken te krijgen, waarmee ze ons de zaligheden van
het geluk binnenleiden zal: Je cherche ma fortune
autour du Chat Noir, zongen ze in deFransche cabarets,
wij zochten ons fortuintje met onzen'bruinen en gelen
broeder op de tentoonstelling, want de Redjangs waren
toch niet te verhandelen, de rijst was niet te verspeculeeren
en concessies waren niet meer lakoe, noch rubberlanden,
noch klapperboomcn, noch Russische sporen.
Het rythme.
r zijn in Atjeh twee soorten dansers, de se-
«oPyj, datti's, dat zijn de beroepsdansers, meest rf jongelui, die zich voor allerlei diensten |L/jfc) best■lijkbaar plegen te stellenen de oudere
mannen, die krijgsdansen uitvoeren. Hier
op de tentoonstelling kon het publiek dagelijks genieten
van de dansen dor sedatti's.
Het waren ook meestal krijgsdansen die hier werden
vertoond en de wapens die erbij werden gebruikt,
gaven er wat wilds en wat woests aan. Zoo tegen
hei vastgestelde uur kwamen de menschen aanzetten,
die in alle hoeken van de inlandsche afdeeling de
zaken bekeken en ze schaalden zich om de dansplaats,
die bij het Atjehsche paviljoen was gemaakt en waar
nog enkele banken waren neergezet voor eventueel
verschijnende Kuropeesche gasten. Men behoefde niet
r bang te wezen, dat deze zich erom zouden verdringen:
de inlandsche danskunst is niet geschikt voor
het gros van de Europeanen, die liever een neger met zn Zweedsche schoone allerlei capriolen zien maken,
maar die voor inlandsche dansen niet veel voelen.
Zelfs niet voor de Atjehsche sedatti's. Hun dansen
zijn anders kunstig en zeer bestudeerd: ze werden
voordat ze aan den dans konden gaan, steeds geoefend
in allerlei lichtiamsbewegingen en hebben dan ook
een groote lenigheid gekregen. Heel anders is deze
danskunst dan die van de Javanen, vooral van
de Javaansche vrouwen, die als ronggengs en als
bedojo's op deze tentoonstelling ook te zien zijn
geweest.
De Inlandsche danskunst valt wel goed te bestudeeren
hier in Midden-Java, maar op de tentoonstelling
waren eerst alleen bedojo'sen serimpiesen daarna hebben
we de Atjehsche dansers en een Vorstenlandschë
wajang orang overgehouden.
De bedojo's zijn ('heriboiische vrouwen, die een
prachtigen stijl van dansen hebben en die de eenvoudige
verhalen zookeurig en elegant uitbeelden. De serimpies
zijn de vorstelijke danseressen van Solo en van Jogja en
de kunst die zij geven staat dan ook mijlen veraf van
diederdesa-ronggengs, meest tevens publieke vrouwen,
die langs de straten loopen mei weinig fraai besmeerde
gezichten en die op een erbarmelijke manier haar
zangen jammeren. De serimpies zijn veel beschaafder
danseressen en de voorstellingen die zij geven zijn
ieders bewondering waard. Het zijn trouwens niet
alleen vrouwen, die in de Vorstenlanden den dans
uitvoeren, ook mannen, soms als vrouwen gekleed,
doen dat en het tandak is een kunst die wel eenig
aanzien kan hebben als het niet gaat om de gewone
straatdansers.
De Atjehsche dansers winden zich op in hun dansen, meer dan dat bij de Javanen het geval is,
hoewel het ook meermalen voorkomt, dat deze zich
geheel-en-al geven in den dans. De Atjehers zijn van
een heftiger ras, hun bloed is in normale oogenblikken
al heel wat anders dan karnemelk, zij zijn geen
menschen met gazeilenoogen en met een normale
beredeneerdheid van bewegen, maar flinke kerels
zijn èr onder en als het er op aankomt opbruisend.
Hun dansen zijn rytmisch, hun muziek is eentonig
opwindend. Het is als het dikrs zeggen van de Maleiers
op de godsdienstscholen in sommige streken
van den archipel: door den voortdurenden dreun, ■
door al maar weer het soortgelijke te doen, winden
ze zich op tot een extase, tot een verwarring van
de gedachten en dan kunnen er wel eens ongelukken
gebeuren, die men in gewone oogenblikken zeker
niet zou hebben zien plaats hebben.
Het publiek kan er bij worden opgewonden, vooral
dan het Jlaleische, het Amboineesche en het Menadoneesche,
als een Javaan bij een hanengevecht. Het
schouwspel brengt spanning, brengt het concentreerén
van alle gedachten op wat daar omgaat en dan wordt
alles om en om vergeten
Zoo gaat het ons ook wel eens met den dans: hoe
meesleepend kan soms de wals zijn, waarbij voorde
Westerlingen dan nog komt het feit dat twee geslachten
bij elkaar zijn in nauwe aanraking, watsomtijds
den danslust liooger doet stijgen, dat een vervaging
van de gedachten tot gevolg hebben kan,
zoodat alles zich samentrekt op dat eene moment,
dat rondzweven in een durenden cadans, zoo dat het
eindigen van de muziek wel eens onverwacht en
veel te vroeg komt.
Alle volken kennen den dans, alle kennen hem op
andere manier en voor alle is de beteekenis weer
een andere; voor ons Westerlingen is het slechts de
maat en de sierlijkheid van beweeg, voor den inlander
is het de beteekenis van een geschiedenis,
van een verhaal: van een gedachtengang. Wat aan
de elegantie en aan het smaakvolle evenwel niets
afdoet.
Menno van Meeteren Brouwer heeft ons een fantaisie
gezonden omtrent de Atjehsche sedatie van de
tentoonstelling, de gezichten van de omstanders duiden
wel aan hoe weinig hun deze knust is. In dit
opzicht zullen zeker Oosten en Westen elkaar niet gemakkelijk
ontmoeten
heeft lange jaren in de binnenlanden /Ja I gezworven en bloemen en planten en I»
De poort.
regenwurmen aan een ernstig, een nauwgezet onderzoek
onderworpen. Hij heeft Moeder Natuur bespied
in haar kleinste schuilhoekjes
en de wonderen van haar scheppingen
onder de miscroscoop en
onder de scherpe kritiek van
zijn onfeilbaren gedachtengang
genomen. Hij heeft met zijn veel
te korte pantalon derimboe doorgewandeld
waar voetpaden waren
gemaakt en de rivieren heelt
hij gekruist, overal waar een
brug was. Hij heeft des avonds
als de krekels tjilpen, het leven
van mensch en dier in popuhuren
vorm gegoten op het gewillig
repetitiepapier en de pennekrassen
spraken van de resultaten
van nauwgezet onderzoek en
beoordeeling, waar geen insectenspeld
was tusschen te steken.
Wanneer hij iets beschouwde, dan deed hij hetgoed.
Dan was de heele wereld om hem weg en bestond
er alleen het voorworp, dat voorwerp.
Zoo is het juist, zoo alleen de ware wetenschappelijke
methode: men abstraheert, men combineert,
men critizeert en concludeert en wat is dan de
woelige wereld om ons heen.- Last, niets dan last.
Ja. straks bij de gemoedelijke rijsttafel in de rustige
achtergallerij gaan de gedachten weer om naar alle
andere zaken, maar wanneer iets moet worden beschouwd
mei verstand en men den indruk wil genieten
zooals hij kan zijn, dan late men al wat daar dwerrell
in deez' wereld langs de koude kleeren glijden.
En nu was hij in Semarang gelijk den man van
weetlust enden man van smaak en fijn gevoel betaamt.
Hij had zich opgemaakt met de vrouw zijns
harten om de tentoonstelling in korte stonden zoodanig
te beschouwen dat een gezamenlijk*' indruk
zou worden gevestigd, die wellicht inspiraties geven
zou en dus indirect hem in staat zou stijlen de wetenschap
nieuwe opstoppers te vei'koopen.
De tentoonstellingscotirant was de gids die zijn
schreden zou richten en zooals een man van studie
past. besloot hij systematisch te gaan. Daar was in
gloedvolle bewoordingen door een der geachte medewerkers
van dat artistiek uitgevoerde en smakelijk
geredigeerde orgaan geschreven over het artistieke
van de ingangspoort en dal architectonisch wonder,
dat nog minder lang zou blijven bestaan dan Leuvensche
kunstschatten, moest natuurlijk in de eerste
plaats worden bezichtigd.
(lelijk dat in de binnenlanden te doen gebruikelijk
is. omdat 't niet anders mogelijk is, stapte liet tweetal
langs Bodjong naai' Randoesari en langs de Sythofflaan
naar de tentoonstelling. Een en ander natuurlijk invroegen vooravond, als de zon zicli had teruggetrokken.
En daar was de apotheose, de grandiosc, de
sierlijke poort, kunststuk van architectuur, waarnaar
vooral zijn gedachten waren gegaan. Dat schouwspel
was machtig, zoo iets zag men noch in de rimboes
van dv]\ Merbaboe, zooiets vertoonden de
mangrovebosschen en vloedwouden van Noesa Kembangan
niet en dat was een genieting van hoogere
orde, gelijk staande ongeveer met de ontdekking van
een nieuwe parasiet of secundaire dito, dan wel, van
een door sporen zich voortplantende vegetatie, oftewel
een been van een phytecantropus erectus.
Terwijl moeder de vrouw zich belastte met de taak
aan een der tallooze loketjes kaartjes te koopen.
stelde hij zich op tegenover het achtste wonder. Hij
bestudeerde de schoonheid der lijnen en met zekeren
eerbied ontblootte hij het hoofd, hetgeen hei
uur van den dag trouwens permitteerde.
En stond daar, een minuut,vijf minuten, een kwartier.
Onbewust van wat om hem gebeurde. Onbewust van
de auto's die langs hem renden, de uitlokkende en de
uitdagende èn de jammerende en knorrende geluiden
die deze moderne vehikelsplegen uit te stooten en
zelfs de snerpende sirene kon zijn extase niet storen.
Tot eindelijk wreedelijk de rust en het kunst- en
aesthetisch genot werd verbroken door een der jeugdige
kinderen des lands, die tegenwoordig de orde
handhaven op de straten, onder de Argusoogen van
hoogere en oudere en knappere dienders en die zich
niet laten vermurwen door een beminnelijke dame,
noch laten afschrikken door een brutalen Vorstenlandschen
administrateur om de rijregeling hunnentwil
te wijzigen. Deze dienaar van Hermandad zag
gevaar: een auto waarin een „hooge" van de tentoonstelling,
zwaaide den ingang binnen en de chauffeur
wenschte stelling te nemen tegenover den ingang
van de stelling, zijn gewone plaats. En daar stond de
in kunstzin verzonkene, dekunstgenotzwelgende van
buiten, op hetpunt doorde wielen van eendier onaesthetische
vehikelste worden platgoreden. Mevrouw zag
het ongeluk, zocht snel een steunpunt, vond dat in de
armen van een voorbijgaanden meneer en viel volgens
de regelen der kunst flauw. Een aantal voorbijgangers
d icht een gemengd bericht te zullen beleven, toen
mas oppas niet de hem eigen levendigheid de waarschuwende
stem verhief. En de redding was daar.
Moraal: Hij, diegenieten wildevanhetschoone schouwspel,
dat de poort kon opleveren, moest de tentoonstelling
voordat doel op een speciaal uur van den dag bezoeken.
Niet des morgens wanneer de balsemieke stralen van de zon u dreigden te doen veranderen in
een hopeloos klein en snelverdampend plasje vloeibaar
mensch; niet des middags tusschen een en
vijf, want dan was alles dicht en troosteloos gesloten;
niet tegen half negen en half tien, want dan
reden de automobielen alles wat niet autoot tegen
de vlakte alias van de beenen;
maar heel vroeg, wanneer een groep menschen
zich verdrong om de tafel van de plaatsbespreking,
wanneer de eerste bewrakers standwaarts gingen en de
zon juist even begon de versiering van de poort in
gulden licht te zetten.
Of wanneer de maan haar zilveren licht uitgoot—
dat doet de maan altijd als er geen zon is en
geen wolken zijn, —wanneer de meeste menschen
in de feestzaal zaten
en de autoherrie
wat luwTde. Dan
kondt ge rustig mediteeren
en het
sclioone genieten,
dat u hier zelfs al
voor ge de centen
had betaald, waar
wij van moeten leven,
en voor ge nog
binnen het heilige
van het heilige
waart gekomen,
werd geboden.
e expositie wasgeen inrichting, waarheen je
voet zou hebben kunnen begeven. Het
rwOtj^Ê stond zelfs niet om ermet een dogcar te arri-
Menschen, die gewoon zijn hun entree ergens behoorlijk
voor te bereiden en te verzorgen, zullen mij
dat dadelijk toegeven.
„Als fatsoenlijk inensch zijnde" was het zelfs onmogelijk
de tentoonstelling te voet te bereiken. Ook met
een stofbril en een respirator zou het je niet lukken.
Het verkeer „per as" langs de wegen, welke naaide
tentoonstelling loopen, verwekte een stof, waarbij
die opgedwarreld door inslaande obussen van 42cm
houwitsers een wolkje van een uitgeklopt tapijt lijkt.
En per dogcar?
Een waardige, gedistingeerde houding te bewaren
in een dogcar is onmogelijk. En veilig is 't ook niet
je met een dogcar achter een sukkelend paard te
wagen tussehen razende auto's en vlug-VOOrtwielerende
rijtuigen. En dan je aankomst voor de schitterende
poort! De eerste de beste inlandsche oppas
had daar 't recht je dogcar te beduiden, waar-ie stil
moest houden. Vlak voor de poort mochten alleen
maar auto's komen. Minstens op vijftig meter van de
ingang moest de dogcar blijven staan, tot de eerste
sfeer werd-ie niet toegelaten. Daar moest je je dus
uit dekar laten zakken. En dan nog, op zoon afstand,
had jekans van de sokken gereden te worden, terwijl
je inje portemonnaie naar een paar,,ketips" vingerde.
"Wie met eenig gevoel van eigenwaarde kan het
verdragen, te worden gadegeslagen onder zulk brutaal,
je overplassend licht, terwijl je in dogcar aankomt en
op den grond wordt gedeponeerd, door kennissen,
die deftig en file in een glinsterende auto voorrijden ?
Men zag dan ook wel dogcarretjes buiten in
't donker stilhouden en de daarafgezette personen naderden
verder te voet met zakdoeken voor mond en
neus, in zigzag-bewegingen en met holletjes en sprongetjes
de poort. Even voor de poort kon je je nog
wel in al je grootheid oprichten, k<m je nog wel
't air aannemen van maar uit je auto te zijn gestapt,
omdat 't wachten in de file je te lang duurde.
Wie wat is of watlyken wilde, ging in een auto, — desnoods kon een mooie nieuwe mylord op rubberwielen
ook nog dienen — ter expositie.
Als er maar weinig oppassers langs den weg zijn en
de weg is donker laat je jakkeren. In een file blijf je
sowieso niet. Verbeeldt je een auto in éen file met een
dogcar! Het is om te gieren! snel moet 't gaan. En
er moeteen mooie.grauwe pauwenstaart van stof achter
je wagen om hoog staan. Dat de kleine wagentjes bijna
in de slokan komen, dat sommigenvoetgangers deavond
voor goed vergald wordt, dat je schade aanricht en
paarden en monsohon aan 't schrikken maakt, kan
hoogstens een noodzakelijk kwaad genoemd worden.
Zoodra de weg watlichter wordt en de oppassers
menigvuldiger opduiken, wordt wat vaart geminderd.
De oppassers zijn 't levende bordje van de Hollandsche
kanalen: „Zeilen strijken langzaam stoomen ! Sierlijk
werd dan't voorplein opgez wenkt. En lekker vaardig
schaarde de wagen zich nu met genoegen in de fileWant dit was 'n nette file. Hier werd je gezien,hier was
't licht en hier was je onder niets dan auto-menschen.
Statigschuifjeop. Plechtstatig kom je voor; de poort.
Vreemd, niemand gooit de hekken open onder de
groote boog, niemand roept aan de menschen op
het terrein toe, na driemaal op een gong te hebben
geslagen. ..Zijne hoogedelgestrenge X chef van een
plaatselijk bank agentuur, abonné van de Locomotief!"
Je moogt zelfs niet eens door die entree triomphale, — daar gaan de inlanders door—heb je 't ooit zoo
zout gegeten ?
Maar, soedah, er was nog wat van temaken van je
entree, er was zelfs heel veel van te maken, daarvoor
dien zij- ingang, waar men de Europeanen ontving.
En was echter jamnier genoeg geen gegalonneerde
portier. Je moest zelf de deur van je wagen opendoen.— Waarom is hier geen portier? Aan't minste nachtcafé
in Europa is een portier.
Waarom staat daar niet de directeur, in 't zwart en
meteen lief lachje ? Waarom is er geen loopertje gelegd'?
't Is 'n kale boel! Maar daarom valt des te meer
op hoe fijn deftig jij bent.
Wees 't naar hartelust, je kunt 't nog enkele minuten
zijn. De tentoonstelling vermaalt je in een
tourniquet of laat je bukkend door een zij- deurtje
binnen en daarna moet je over een lijdensweg van
puntige keitjes verder. Van deze vernedering herstelt
zich niemand meer. En bovendien zijn de menschen
er allen te voet en dus gelijk.
Waarom stond er niet op de poort: Laat alle swiet
varen gij die hier binnen gaat!
Voor de poort was je wat, kon je hoog zijn. Onder
de poort zag men je in je volle waardigheid,
maar achter de poort was je een nummer, een met
Chineezen gelijk gesteld Europeaan, die hier en daar
zelfstoelen moest halen, die door zalen wandelde, waar
ook inlanders waren, die zich heesch moest schreeuwen
om een „djongos". Als de expositie nog lang was bleven
zou Semarang grondig verdemocratiseerd zijn geworden.
En dat zou jammer zijn. Het vervlakt de samenleving
zóo. Wat bewuste „aristo's" geven nog eenige fleur
aaneen stad.
So-des-ka!
k ken wat Japansch. Vraag mij echter niet,
jfhoe ik dat geleerd heb, heusch, gij moet mij
■H» van de immoreele verplichting ontslaan ute InSL vertellen, op welke wijze ik aan dat Japansch
geraakt ben. Ik houd dat liever voor me, natuurlijk
uit geen andere dan egoïstische redenen. Als ik 't u
vertel, wendt gij stellig dezelfde methode aan, want
zij is nog aantrekkelijker dan die van Berlitz en gij
leert 't even snel als ik. waarna 't niets bijzonders
meer is, dat ik wat Japansch ken.
In een heftig verlangen om mijn Japansche kennis
weer eens wat op te frisschen ben ik, zoodra de Japansche
bediening voor 't Formosaansi h paviljoen op de
tentoonstelling was gearriveerd, daarheen getrokken.
Als dit theehuis eens elders zou hebben gestaan!...
Maar nu stond 't op het tentoonstellingsterrein, was
zelfs een van de voornaamste attracties daarvan. Het
was du ton om er te zitten en er gezien te worden.
Niet alleen, niet langs sluipwegen en in dichte wagens
bereikte men het. Men begaf er zich openlijk
en met opgericliton hoofde in gezelschap heen. De
zoon-begeleidde er zijn moeder en zusters. Ecn'w ouderlijke
wereld, die Ned.-Indische!. .Zooals de Nederlandsche
ingetogen vrouw in Parijs wel eens de
cabarets en bals bezoekt.Jomdat ze-toch-ook-wol-eenswil-
zien-hoo-'t-daar-foegaat, bezoekt ze in Singapore
wel eens de niousmè's en de geisha's. Ineen Nederlandsche
of Ned.-Indische stad kun je 't eene noch
het andere doen. De expositie van Semarang was het
Parijs en het Singapore voor de' Ned.-Indische vrouw.
Hier mocht het. Beoordeel hiernaar met welk een
moreele gerustheid ik naar de Japanners ging, naatdat
hoekje van „Ie pays des gentillesses et du rire",
zooals Pierre Loti Japan noemt.
Whose virgins are these, — the virgins who
stand like flowers before the Deïty ? ..dacht ik, in
verheven .stemming bij 't binnentreden. Het plechtig
moment had mij een door Lafcadio Hearn vertaalde
vers-regel uit een Shinto-zang op de lippen gegeven.
Ik zag de kleine mousmé's thee rondbrengen. Maaier
was geen muziek, geen getokkel op dekoto, geen
hol getingel op de samisen. Toch kon ik hier 't echte
genot hebben, dat Heine zich droomde, toen hij verlangend
dweepte met de meisjes, die hem zouden
reiken „den duftenden Blumenthee". En ik zou mijn
eigen mond hetzoete Japansch hooren zeggen,maar veel
zoet-klinkender zouden de antwoorden zijn en de verhalen,
welke de mousmé's mij misschien zouden doen.
„Malgré son manque absolu de beauté, la mousmè
est souvent tres gentille, parce qu elle est tres joyeuse
et tres jeune elle se retire en général avant sa
vingtième année", zegt Loti, die nader definieert, dat
„a la rouerie savante de ces tres petites personnes,
se mêle je ne sais quelle inconscience enfantine qui
les fait excuser avec tin sourire"... Loti, welk een
kenner van de Japansche vrouw 't ook was, heeft
nooit het ware gevoel voor de Japansche schoonheid
gehad. Nooit eerder heb ik hem de opgemerkte „manque
absolu de beauté willen toegeven. Thans voelde
ik er neiging toe. Maar de gratie zou veel vergoeden
en dan dat heerlijke Japansch! En dus ben ik maar
zoo gauw mogelijk begonnen.
„Konban-wa" (goeden avond) waarbij ik boog met
m'n handen op de knieën en in korte stooten m'n
adem door m'n neusgaten blies.— „Do-des-ka", (hoe
gaat 't'?). In plaats van 't liefelijke ~arigatoitzoemono
tori yorosjoe gosarimas" dank u 't gaat mij goed)
wat daarop ten antwoord komen moet, hoorde ik een
rauw „niau apa, mau minoem tè?". Het was me of*
ik 'n klodder doerian op m'n oor gekwakt kreeg. Ik
weet echter van ouds, dat men met zachtheid nog
het verst bij mousmé's komt en daarom volhardde
ik in 't Japansch: ne-i-san o-tya-o koedasai, (geeft u
mij thee, juffrouw), waarop de kleine is weggeloopen
en een heer van niet zoo dadelijk te definieeren
landaard op-me heeft afgestuurd. — ~Toean mau té,
nanti nona bawah", troostte deze vriendelijk.—„Arigato
gosari masjita" (dank u wel voor uw vriendelijk
ontvangst: heb ik hem toegevoegd. — „Toean" was zn antwoord. — „Anata-wa Nipponssin des ka'?" (bent
u Japanner'?) vroeg ik. Hij ging heen, en haalde
koekjes en de mousmé. Verrast door die dubbele
tractatie, vroeg ik de mousmé, de koekjes haar toeschuivend,
„Doso, qwasji-mo otorinasai" — (Neemt u
ook 'n paar koekjes). —„Trimah-kassih toean !". . . De Japanners hebben netzoon uitdrukking als ons
„Nu breekt m'n klomp." Zij zeggen in zoon geval
„Nu breekt de snaar van mijn samisen". Dat wilde
ik haar toeroepen. Ze was toch op-ende-op een mousmé,
dat moest ze begrijpen. Doch ze was al weer
heen. Er was geen tijd voor een praatje. Het was er
zeer druk.De mousmé's moesten, veel sneller dan beur
voetjes haar konden dragen, van tafeltje tot tafeltje
fladderen en deden roef-roef haai' werk.
De thee was er goed, het servies keurig, de koekjes
en zoetigheden kostelijk, het gebouw was mooi, en
er waren mousmé's. Maar waarom heeft men er geen
Japansche sfeer geschapen '? Waren deze mousmé's
als de vogels uit zekere landen, die niet meer zingen,
als ze naar elders worden gebracht ? Waren ze hier,
buiten het kersen-bloesemland, haar zangerig Japansch
vergeten '?
Rhapsodie.
jme moest de tentoonstelling zien op de verschil-
M W lende tijdstippen van het etmaal, het onder-
KmtÊ scheid tussehen morgen en middagen namiddag Wfafi c" vooravond en na-avond en nacht duidelijk
opmerken en dan hetexpositioneele epos dichten,
dat tot een rhapsodie zou worden.
Bont was de verscheidenheid.
Heel vroeg op den dag, als met de kantoordeur
de tentoonstellingspoort ontsloten
werd, was de Koloniale als een schuchtere
maagd, die slechts noode en daarom geleidelijk-
langzaam haarbeschuttendekleederen
aflegt. De jonge warmte verlamde nog geen
opwekkend leven en men zag een enkeling,
die reeds vroeg gekomen was, opgewekt vlug
over de paden loopen.de zalen binnenwippen.
Langzamerhand kwam de hitteenonmiddellijk
trof den opnierkzamen toeschouwer
de verandering in liet aspect. Er werd
door bezoekers geslenterd, den verlangensweg
naar het tijdstip, waarop men met
fatsoen kon vertrekken, met loome schreden
afgelegd. Men „ging" de zalen in, „slofte"
er kort daarop weer uit. De heuvel lag
verlaten, men koesterde geen couveuseverlangens.
In den middag, zoo tussehen één en vier, rustte de
tentoonstelling. Dan zag men er slechts een enkelen
onmisbaren dienstbare rondgaan en washetalverlatenheid
achter de gesloten hekken. Een zitting met gesloten
deuren, want onvermurwbaar bleven de gebouwen
en de kiosken staan, was de tentoonstelling er
dus, zonder die andere voor haar bestaan noodzakelijke voorwaarde te vervullen: levendigheid te bieden.
De warmte school er uren lang, verzamelde er
zich, lag er als lava. om eerst weer in dvn namiddag
wT eg te vloeien als met het heropenen der hekken,
de zon lager en lager naar verdere oorden
daalde.
De vooravond was ingetreden.
Dan begon de triomf der zalen. Hel allegro. .Men
„wandelde" de gebouwen door, besteeg den heuvel en
zag de schemering aandonkeren en de avond invallen
en dientengevolge, automatisch-zeker, (\c]\ verlichtingsbrand
oplaaien overal. Dan ving eigenlijk
weer een nieuwe afdeeling vanhet etmaalaan, welke
ik den tweeden vooravond, ol' den donkeren, in tegenstelling
met den lichten, zou willen noemen. Maar
ten slotte acht ik die benamingen niet juist, want
de zoogenaamd donkere vooravond was op de tentoonstelling
juist de meest lichte. Betere benamingen
zijn : voorste-avond en vooravond.
Van het grootejubel-aceoord, dat de feestelijke
avond-tentoonstelling componeerde, valt niets meer te
zeggen, de rhapsodie mag haar karakter niet verliezen
door er een potpourri-tintje aan te geven
Een intermezzo.
Alleen voor de violen, het rhapsodische-eigen blijft
behouden en het epos wint er in uitdrukkingskracht
door.
Nader de tentoonstelling in den avond uit de zwartheid
van Semarang's binnenland, door de tramlijn
doorsneden, of langs de met hulpgebouweii gegarneerde
wegen, als Hoogenraadslaan en omgeving. Ziet
dan al het licht in de lucht, tegen de hoogten op.
Een overvloed als centrum: de ingangspoort en wat
daar vlak omheen en dichteby-boven straalt. Naar de
kanten wordt het zoo ver-af belangwekkender, vreemder.
Daar zie je niet de gebouwen, de geraamten,
welke de lichtlijnen uitzenden. Niet-vlakbij bemerkt
men slechts de donkerte, met daarin het vreemde licht.
Als een spoorbaan.
Een spoorbaan in den avond heeft zoo eigenaardige
en machtige bekoring. Zwart, gaal het traject verloren,
maar in de duisternis staan gekleurde lichten,
ze vormen teekens, figuren, ze zweven in de lucht
en veranderen, niet van plaats. Dichl bjj de stad pinken
in hel even-donkere honderden van die niysterieuso
lichten, groen en rood en wit, en geen tien meters
heeft het sombere vrij spel. Ken gloei wormen-idylle
in symfonischen vorm.
Zóó leek op de flanken de tentoonstelling ook uit de
verteen de indruk was gelijk en even spoorbaandiep.
Als seinen plekten lampen, en licht-cirkelsgeboden
even zoovele malen „halt" als „veilig" en „onveilig".
Dooi- spleten, die je tussehen zaal wand en dak wist,
straalde liet licht in lijnen uit. Je meende hier en daar Geislersche buizen in de ruimte zwevend te
aanschouwen. Ken groot wonderbaarlijk blijvend en
onbeweeglijk vuurwerk, dat den blik geboeid hield
met stille kracht.
Het orkest speelt weer fortissimo en de lier ruischt...
De naavond bracht het mondaine gedoe van wereldleven,
welks loftrompet zoo veelvuldig gestoken
is. Men denke zich dus even een bekende melodie
en varieert er wat op. Van sourdine is geen sprake
meer en de violen en colli strijken medesleepend en
het koper schettert fanfares.
Dan kwam de nacht, niet eerder echter dan om
een uur of één. Nu dient er onderscheid gemaakt te
worden tussehen de Zaterdag- en Zondag- en deandere
avonden, of beter nachten. Die der week waren van
de meest rustige rust. Van slapen. Maar die van
Zaterdag en Zondag vormden de overdonderende slotaccoorden
van de week-symfonie en tevens van het
epos van den dag.
En de rhapsodie eindigt op een wijze, welke doet
denken aan den soldatenmarsch uit de „Damnation
de Paust" van Berlioz.
Devi
Een natte herinnering.
ty k heb herinneringen van velerlei soort aan de rtentoonstelling. Eén ervan is een natte, in
tegenstelling met alle overige, welke in elk
geval droog zijn. Niet, dat ik ooit een inbreuk
op den schoonen levensregel gemaakt heb,
om voor m'n natje en m'n droogje te zorgen, ook
op de tentoonstelling, maar het nat en droog in dit
schrijfsel slaan op .... de natuur. Maanden lang
was het droog geweest en dacht niemand eraan,dat
de paden van het expositie-terrein wel eens onbegaanbaar
konden worden tengevolge van regen. Een
droge tentoonstelling, d.i. met altijd goed weer. waarvan
we hier toch maar gedurende vele maanden het
monopolie bezitten. Zonder concurrentie bijna. Al de
tentoonstellingsherinneringen op meteorologisch gebied
zijn dus eveneens droog. Dat werd evenwel
plots op een Zaterdag anders. Toen veroverde de
natte herinnering een plaatsje in mijn brein. Alle
andere tentoonstellings-nattigheidjes ten spijt(wat een
soorten, wat een soorten !), is dien avond ook de
regen verschenen en heeft voor de uitwendige nattigheid
gezorgd. De inwendige kon ik steeds zonder
anderer hulp be . . .. druppen.
De regen kwam toen ik bij Trocadéro, het onvolprezen
late ontspanningsoord, van een en ander genoot.
De stralen plasten plotseling neer, terwijl het
reeds den ganschen avond geweerlicht had. Dadelijk
vluchtte een deel van het overtalrijke publiek weg
(meneer van derLoo, heeft hetbetaald?) en verdween
op een voor mij onverklaarbare wijze. Het loste vermoedelijk
op in den regen. Ik heb nog niet officieel
gelezen, dat hetSemarangsche bevolkingscijfer gedaald
is. Het andere deel, begrijpelijk, bleef, maar concentreerde
zich op den rechteroever van de . . , daar
speelt de telegramstijl me parten, de rest concentreerde
zich onder het niet al te groote Trocaderische
dak en zat daar weldra knus opeen als in een
Nederlandsche winterhuiskamer. De kachel brandde niet. Maar een „slokkie" verwarmt inwendig. juffrouw Blazer En klom op een stoel en zong een liedje,
dat ook al de stemming warmer maakte en de zwarte
neger—ze zijn heusch niet allemaal zwart of beter
alle zwarten zijn geen negers -- met zijn blankste wederhelft konden niet dansen, omdat er geenruimte
meer was en zij al warm genoeg waren. De re°-en kletterde knusjes door en we werden wederom warmer
bij het verrukkelijke denkbeeld, dat de stofplaag nu een beetje minder zou geworden zijn.
Het speet ons feitelijk, dat de regen ten langen leste ophield enfin, de natte herinnering bewaren we als iets schoons!
Deré.
Laatste herinnering.
e ',entoonstelling *s ten einde, maar de
herinnering blijft. Kater, als de gewone
tijden weer zoo gewoon zijn, dat we meer
£] JJ dan ooit naar ongewone verlangen, zullen we
aan de buitengewone Semarangsche tentoonstel! ingsdagen
terugdenken. Dan viert de herinnering hoogtij.
Dan staat weer in onze gedachten in heel die donkere
avondstad één gedeelte bij uitnemendheid geteekend
in gloeiende lijnen, dan komen voor ons geestesoog
die beelden van weleer. En we laten ons weer gaan.
Door de entree van gesmeed en gevormd licht,
langs auto-drukte en rijtuig-beweeg, de veel-bewandelde
terreinen op, in de avonduren van een Zaterdag
of Zondag. Door de zalen niet pronkenden keur
van kostbare waren in zoo groote variëteit, dat we
ons niet meer zoo heel nauwkeurig kunnen herinneren
— losvan schriftelijke mémoires — wat er nu
wèl en wat er nu niet was. Neen, niets ontbrak! De
juweelen spuwen weervonken, gouden zilver blinken en
't wordt een chaos van opstormende beelden: door en
over elkander en romdom bonken en glijden en vallen
en rollen, metgeweld en zachterbewegen, ganseho
stands en paviljoens vol machinerieën, kunstvoorwerpen,
sport-artikelen, platen, etenswaren, automobielen,
drukwerken, .... o, zoo veel, dal tezamen int brein
aan den dans slaat en als een heksensabathin uitgelaten
tentoonstellingsroes tekeer gaat En hand in hand
walsen en tandakken hoog en laag van alle rassen
en standen dwars door 't vertier, terwijl een waterval
staag doorstroomt metklaterenden dreun en tenslotte
wordt het natte kletteren luider, zwelt aan, overstemt
het feestend tieren. .. . en de west-moessonsche herinneringen
verdringen de voorafgaande.
Andere beelden.
Opgangterfeestzaal, waar muziek en zang, maanden
achtereen, geheel nieuw leven in ons brachten, Trocadéro-
bezoek, waarbij we verleerden, dat er onderscheid
tussehen dag en nacht, tussehen water en champagne
bestaat, Kunapark-schietgeweld, strijkjes en strijkjes
En ook beseft men dan weer, hoe. meer des daags.
de leer- en weetgierigheid bevredigd werd, door het
betreden van het folkloristisch museum, dat de „inlandsche
afdeeling" heette, hoe men daar een encyclopaediscb
lesje kreeg op 't uitgebreide gebied van
archipel-kennis Tevens, hetgeen de tallooze zalen en
gebouwen aan onderrichtends brachten en van hoe
algemeenen aard de tentoonstelling was. En hoe ze
den bloei der kolonie juist aangaf en welk een commerciëele
reclame-kracht van haar uitging. Telkens
ook werd het nuttige door het aangenameafgewisseld
en de herinneringen gaan van d'eene naar de andere
zijde rusteloos heen en weer. En steevast blijft het
besef: het was een schoone tijd. Devé.
City Nodes
Thursday, March 17, 2016
Sunday, April 26, 2015
Matahari di Atas Batavia
Glodok
Klik Batavia adalah website yang komplit tentang Batavia. Maka dari itu kurang lengkap kalau tidak ada novel yang bercerita tentang kota tua ini, menjadikannya panggung yang menegangkan dan sekaligus romantis.
Novel ini diangkat dari kehidupan nyata di Batavia, penelitian sejarah kota ini pada tahun 1737-1740 dimana mayoritas penduduk kota adalah orang Tionghoa dan yang memerintah adalah orang Belanda. Kehidupan Batavia pada saat itu sangat religius dengan dominasi kehidupan gereja protestan Kalvinis. Sebaliknya kehidupan dipecinan yang berada diluar tembok kota adalah agama kelenteng.
Novel ini mengangkat kisah seorang sinshe yang bertugas di rumah sakit Tionghoa, sayang rumah sakit itu sudah diruntuhkan tanpa bekas dan sudah dilupakan orang. Diceritakan percintaan antara seorang sinshe dengan gadis berdarah campuran Belanda - Tionghoa. Latar belakang percintaan mereka adalah peristiwa 1740 yang mana Batavia di serang orang Tionghoa dibawah pimpinan Khe Panjang dan peristiwa pembantaian orang Tionghoa.
Ditulis oleh seorang sejarahwan dan penulis yang lagi naik daun Chen Ming Sien, akan bertutur dalam cerita bersambung. Novel ini sebuah gebrakan dari bentuk novel tradisional yang satu arah. Sebaliknya novel ini dua arah dimana pembaca dapat memberi komentar dan saling berkomentar serta berdiskusi.
Kalau anda ingin membacanya silahkan klik desini
Kalau anda ingin membacanya silahkan klik desini
Subscribe to:
Posts (Atom)
